Button Menu Spreekuur
Button Menu medischabc
Button Menu lifestyle
Button Menu interactief
Hantavirusinfectie
Pagina afdrukkenTell a friend

Inleiding
Oorzaak
Verschijnselen
Diagnose
Behandeling
Complicaties
Meer informatie

Hantavirusinfectie is een virusziekte die wereldwijd onder knaagdieren voorkomt. Het virus is voor het eerst aangetroffen bij de brandmuis (Apodemus agrarius). Het is een zogenaamde zoönose, dat wil zeggen dat mensen door zieke dieren besmet kunnen worden. Er zijn verschillende typen van het hantavirus. Afhankelijk van het virustype kan een besmetting lijden tot ernstige aandoeningen van de nieren of de longen. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft als gemeenschappelijke naam voor hantavirusinfecties de term ‘hemorragische koorts met renaal syndroom’ (HKRS) gekozen

Het hantavirus behoort tot de familie van de bunyavirussen. Er zijn meer dan 25 soorten bekend. De meest relevante voor de mens zijn het hantavirus, dobrovavirus, seoulvirus en het puumalavirus. Voor elk type zijn een of meerdere soorten knaagdieren als gastheer bekend. Deze dieren worden zelf niet ziek van het virus.
De hantavirusinfectie wordt voornamelijk verspreid door de brandmuis (Apodemus agrarius) en de rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus). Deze dieren scheiden het hantavirus uit in hun uitwerpselen, urine en speeksel. Mensen worden gewoonlijk besmet door het inademen van deeltjes vloeibare of vaste stof die in de lucht zweven en afkomstig zijn van geïnfecteerde knaagdieren. Soms wordt het virus overgebracht door een beet van een knaagdier. Een hantavirusinfectie is soms een beroepsziekte, die het meest voorkomt op het platteland en bij volwassen mannen. Boeren, houthakkers, schaapherders en soldaten op veldtocht lopen een verhoogd risico. Dat geldt ook voor gezinnen die in de winter ongewild onderdak verlenen aan knaagdieren die de kou zijn ontvlucht. Hantavirusinfecties komen het meest voor in de late herfst en de vroege winter.

Gerekend vanaf de dag waarop iemand is geïnfecteerd, duurt het meestal ongeveer veertien dagen voordat de eerste verschijnselen optreden, maar deze incubatietijd kan variëren van twee tot tweeënveertig dagen.
In de meeste gevallen (ongeveer 80 procent) ontstaat een licht tot matig ernstig ziektebeeld. In het geval van een lichte aandoening zijn de eerste verschijnselen koorts, een rood gezicht, rug- en spierpijn gepaard gaande met puntvormige huidbloedingen (petechiae). Eiwit in de urine wijst op een matig ernstige infectie.
Besmetting met de in Europa voorkomende variant, het puumalavirus, verloopt in 90% van de infecties zonder verschijnselen.

In Noord-Amerika komen hantavirussen voor die longafwijkingen kunnen veroorzaken.

In 20 procent van de gevallen is sprake van een ernstige aandoening. Dit geldt vooral voor het type hantavirusziekte dat in Azië en op de Balkan voorkomt. Dit ziektebeeld kent vijf fasen, elk met een eigen verloop.
Fase één duurt drie tot zeven dagen met verschijnselen als koorts, moeheid, hoofd-, spier-, rug- en buikpijn. In deze eerste fase zijn de andere symptomen onder meer misselijkheid en braken, een rood gezicht, puntvormige huidbloedingen en bloeddoorlopen ogen.
Fase twee houdt een paar uur tot ongeveer drie dagen aan en gaat gepaard met een aanmerkelijke daling van de bloeddruk vergezeld van symptomen als misselijkheid, braken, een snelle hartslag, onscherp zien en bloedingen. In fase twee kunnen patiënten in shock raken als gevolg van onvoldoende bloedtoevoer naar de organen. Dit is een kritieke fase die tot de dood kan leiden als de patiënt niet op de juiste wijze wordt behandeld en er geen continue, nauwgezette controle op het ziekteproces plaatsvindt.

In fase drie (drie tot zeven dagen) produceert de patiënt erg weinig urine (oligurie), terwijl de misselijkheid en het braken aanhouden. Gedurende deze fase kan de bloeddruk stijgen en kan de nierfunctie sterk teruglopen. Net als in fase twee moet in fase drie nauwgezet controle op het ziekteproces worden uitgeoefend.
Fase vier, waarin de patiënt erg veel urine produceert, duurt van een paar dagen tot een aantal weken.
Fase vijf is de herstelperiode: het kan één tot drie maanden duren totdat de patiënt weer volledig op krachten is en de nieren weer goed functioneren.

De diagnose wordt gesteld op grond van de voorgeschiedenis en een lichamelijk onderzoek. De diagnose kan echter alléén op die manier worden gesteld als de patiënt de klassieke vijf fasen van de ziekte heeft doorlopen. Bij een lichte infectie is bloedonderzoek (serologische tests ). de betrouwbaarste basis voor een juiste diagnose.

Het grootste deel van de hantavirusinfecties gaat vanzelf over.
Mensen met een ernstige variant van een hantavirusinfectie moeten in het ziekenhuis worden opgenomen. Het verloop van de ziekte moet nauwgezet worden gevolgd, terwijl letsel en onnodige bewegingen moeten worden vermeden. De behandeling is afhankelijk van de fase waarin de ziekte zich bevindt. Nauwgezette controle van de ademhaling, de vocht- en elektrolytbalans en de bloeddruk zijn van groot belang. Hypoxemie (zuurstof tekort) kan worden behandeld door zuurstof toe te dienen. Bij shock en lage bloeddruk (hypotensie) kunnen patiënten medicijnen krijgen om de bloedsomloop te stimuleren. Bij nierinsufficiëntie kan het bloed van giftige stoffen worden gezuiverd door middel van hemodialyse . Als medicijn kan onder meer een antiviraal middel worden voorgeschreven.
Hantavirusinfecties kunnen tot op zekere hoogte worden voorkomen door de knaagdierenpopulatie onder controle te houden, vooral op het platteland. Mensen die door hun beroep een verhoogd risico lopen, kunnen besmetting voorkomen door het dragen van gezichtmaskers en beschermende kleding.

Het herstel van een hantavirusinfectie, is het gewoonlijk volledig, zonder blijvende gevolgen. Bij een ernstige vorm van de ziekte kunnen complicaties optreden in de kritische tweede en derde fase. In die fasen moeten patiënten continu en nauwgezet onder controle staan om shock en blijvende nierinsufficiëntie te voorkomen.

www.rivm.nl
www.cdc.gov

Referenties:
www.ncbi.nlm.nih.gov
Chan, Y. C., Wong, T. W. and Yap, E. H. (1987), “Haemorrhagic fever with renal syndrome: clinical, virological and epidemiological perspectives”, Ann Acad Med Singapore, vol. 16, no. 4, October, pp. 696-701.

www.ncbi.nlm.nih.govt
Cosgriff T.M. (1991), Mechanisms of disease in Hantavirus infection: pathophysiology of hemorrhagic fever with renal syndrome, Reviews of infectious diseases, vol. 13, no. 1, January-February, pp. 97-107.

David Brown and Graham Lloyd (1999), Zoonotic viruses, in: Donald Armstrong, Jonathan Cohen, (Eds), Infectious Diseases, vol. 2, Mosby, London.

www.jcm.asm.org
Dominic, W., Werner, S., Peter, Alter, et al. (2001), “Hemorrhagic Fever with Renal Syndrome: Diagnostic Problems with a Known Disease”, Journal of Clinical Microbiology, vol. 39, no. 9, September 2001, pp. 3414-3416.

www.ncbi.nlm.nih.gov
Escutenaire, S. and Pastoret, P. P. (2000), “Hantavirus infections”, Rev Sci Tech., vol. 19, no. 1, April, pp. 64-78.

Gregory J. Mertz (2002), Bunyaviridae: Bunyaviruses, Phleboviruses, Nairoviruses, and Hantaviruses, in: Douglas D. Richman, Richard J. Whitley and Frederick G. Hayden, (eds), Clinical Virology, 2nd ed, ASM press, Washington, DC.

www.ncbi.nlm.nih.gov
Hart, C. A. and Bennett, M. (1999), “Hantavirus infections: epidemiology and pathogenesis”, Microbes Infect., vol. 1, no. 14, December, pp.1229-1237.

www.ncbi.nlm.nih.gov
Hart, C. A. and Bennett, M. (1994), “Hantavirus: an increasing problem?”, Ann Trop Med Parasitol., vol. 88, no. 4, August, pp. 347-358.

www.ncbi.nlm.nih.gov
Hjelle B., Jenison S.A., Goade D.E., Green W.B., Feddersen R.M., and Scott A.A. (1995), Hantaviruses: clinical, microbiologic, and epidemiologic aspects, Critical reviews in clinical laboratory sciences, vol. 32, no. 5-6, pp. 469-508.

www.ncbi.nlm.nih.gov
Khan, A. and Khan, A. S. (2003), “Hantaviruses: a tale of two hemispheres”, Panminerva Med., vol. 45, no. 1, March, pp. 43-51.


Peters C. J., Sherif R. Zaki, and Pierre E. Rollin (2001), Hanta virus infections, in: Richard C. Guerrant, David Walker, Peter F. Weller, (Eds), Essentials of Tropical Infectious Diseases, Churchill Livingstone, London.

Peters C.J. (1995), Bunyaviridae California Encephalitis, Hantavirus Pulmonary syndrome, and Bunyaviral haemorrhagic fevers, in: Mandell, Douglas, and Bennett’s Principles and Practice of Infectious Diseases, Gerald L. Mandell, John E. Bennett, Raphael Dolin, (eds), 4th ed, vol. 2, Churchill Livingstone, New York.

Porterfield, J. S. and LeDuc, J. W. (1996), Bunyaviridae, in: Weatherall, D. J.,
Ledingham, J. G. G. and Warrell, D. A., (eds) Oxford Textbook of
Medicine, 3rd ed, vol. 1, Oxford University Press, New York.

Robert, E. S. (2001), Introduction to Hemorrhagic Fever Viruses, in: Claude, B. J.
and Fred, P., (eds) Cecil Textbook of Medicine, 20th ed, vol. 2, W.B.
Saunders Company, India.

www.ncbi.nlm.nih.gov
Settergren, B. (2000), “Clinical aspects of nephropathia epidemica (Puumala virus infection) in Europe: a review”, Scand J Infect Dis., vol. 32, no. 2, pp. 125-132.


Bron: SJRI Copyright: Medic InfoDatum: 24/07/2009Disclaimer
geavanceerd zoeken

Zoeken

Ik wil zoeken naar: