Inleiding
Orale anticoagulantia
Toepassing van orale anticoagulantia
Contra-indicaties bij orale anticoagulantia
Per injectie toegediende anticoagulantia
Toepassing van per injectie toegediende anticoagulantia
Bijwerkingen van anticoagulantia
Meer informatie
Antistollingsmiddelen of anticoagulantia helpen een normale doorstroming van het bloed door de vaten en binnen het hart in stand te houden bij mensen van wie het bloed de neiging heeft te coaguleren (samen te klonteren en stolsels te vormen). Anticoagulantia voorkomen de vorming van bloedstolsels, maar kunnen reeds bestaande stolsels niet oplossen. Er zijn twee soorten anticoagulantia: de ene wordt oraal ingenomen, de andere per injectie toegediend.
Orale anticoagulantia (via de mond in te nemen) beginnen na een paar dagen te werken. Ze worden gebruikt om te voorkomen dat zich bloedstolsels vormen in de aders en de verschillende ruimten van het hart. Ter voorkoming van stolsels in de slagaders zijn ze minder geschikt. Orale anticoagulantia, zoals acenocoumarol en fenprocoumon zijn in Nederland de meest voorgeschreven middelen.
Orale anticoagulantia worden gebruikt:
- wanneer zich al een trombus heeft gevormd of wanneer de aanwezigheid hierop zeer groot is, bijvoorbeeld bij diepe veneuze trombose (stolselvorming in de beenaders), longembolie of afsluiting van oogarteriën;
- voor mensen met bepaalde hartritmestoornissen (boezemfibrilleren) waarbij het risico van stolselvorming ontstaat doordat het bloed niet gelijkmatig door het hart stroomt, en omdat het van belang is te voorkomen dat een stolsel loslaat en naar de hersenen schiet;
- na een operatie, met name wanneer iemand enige tijd na de operatie niet voldoende kan bewegen.
De werking van orale anticoagulantia kan worden beïnvloed door sommige aandoeningen en door zwangerschap. Van veel middelen is bekend dat ze de werking van anticoagulantia versterken of verminderen. Als u anticoagulantia voorgeschreven hebt gekregen, moet u de arts of trombosedienst raadplegen voordat u daarnaast enig ander middel gaat gebruiken.
Per injectie toegediende anticoagulantia werken onmiddellijk. Van die middelen wordt heparine het meest gebruikt. Heparine werkt snel, maar kort.
De indicatie voor toepassing per injectie verschilt niet van die voor orale middelen, echter de injecties worden vooral gegeven om de therapie te starten zodat op korte termijn effect bereikt wordt. Meestal probeert men deze injecties na korte tijd te stoppen en te vervangen door orale therapie.
Door een te hoge dosis orale anticoagulantia kunnen overal bloedingen optreden, meestal in de mond (tandvlees), de neus, de darmen en de urinewegen. Afhankelijk van de ernst ervan kan het nodig zijn met orale anticoagulantia te stoppen of zelfs een middel in te nemen dat de werking van het antistollingsmiddel tegengaat en de bloedstolling bevordert. Om een overdosis aan orale anticoagulantia te voorkomen, moet de dosering nauwkeurig worden berekend en de stollingstijd van het bloed geregeld worden gecontroleerd. In Nederland worden deze controles meestal door de trombosedienst uitgevoerd. In voorkomende gevallen moet u de behandelend arts of tandarts waarschuwen dat u orale anticoagulantia gebruikt. Andere, zelden voorkomende bijwerkingen van orale anticoagulantia, zijn misselijkheid, braken, huiduitslag, koorts, buikpijn en diarree.
Kijk in de geneesmiddelenencyclopedie voor uitgebreide informatie over vrijwel alle in Nederland verkrijgbare geneesmiddelen.
Diuguid, D. (2001), "Choosing a Parental Anticoagulant Agent", The New England Journal of Medicine, vol. 345, no.18, pp.1340-1342.
Henry, J. (2001), in: Heart and Circulation, 5th ed, Dorling Kindersly, London.
Powers, W. (2001), "Oral Anticoagulant Therapy for the Prevention of Stroke", The New England Journal of Medicine, vol.345, no.20, pp.1493-1495.
Rang, H.P., Dale, M.M. & Ritter, J.M. (1999), The vascular system, in Pharmacology, 4th ed, Churchill, Livingstone, London.