Inleiding
Oorzaak
Risicogroepen
Verschijnselen
Diagnose
Behandeling
Voeding
Preventie
Complicaties
Meer informatie
Aids is een ziekte die het gevolg is van het humaan immuundeficiëntievirus (hiv). Aids wordt in sommige landen ook wel vermageringsziekte genoemd, vanwege de vermagering van het lichaam door gewichtsverlies. De term aids is de naam voor het laatste stadium van een hiv-infectie. Het hiv-virus vernietigt de CD4-cellen, de afweercellen van het lichaam. Deze CD4-cellen helpen het lichaam om infecties en ziekten te bestrijden. Hiv tast deze immuniteit steeds verder aan, waardoor het lichaam gevoelig wordt voor levensbedreigende ziekten en infecties. Aids is het ziektebeeld dat ontstaat als hiv het immuunsysteem zo sterk heeft kapotgemaakt, dat bepaalde infecties gemakkelijk kunnen optreden. Hiv-infecties komen overal ter wereld voor. De meeste gevallen van aids komen voor in de Afrikaanse landen beneden de Sahara, Noord-Amerika, Latijns-Amerika, het Caribische gebied, Zuid-Azië en Zuid-Oost-Azië.
Hiv, het virus dat aids veroorzaakt, kan worden doorgegeven via lichaamsvloeistoffen en kan daardoor op een aantal manieren van de ene op de andere mens worden overgedragen. De meest voorkomende manier is geslachtsverkeer met iemand die besmet is met het virus. Andere mogelijkheden zijn het delen van naalden met een geïnfecteerde, een bloedtransfusie met besmet bloed of een weefseltransplantatie met besmet weefsel. Een hiv-infectie kan door een zwangere worden overgedragen op het ongeboren kind, zowel tijdens de zwangerschap als tijdens de geboorte, of door een moeder die borstvoeding geeft aan een baby (dit wordt verticale overdracht genoemd).
Het blijkt dat mensen in de gezondheidszorg, zoals verplegend personeel, tandartsen, chirurgen, vrouwenartsen, overige artsen en laboratoriumpersoneel, tijdens het uitvoeren van hun dagelijkse werkzaamheden een groter risico lopen om deze ziekte te krijgen. Ook mensen in de seksbranche of bezoekers die van de diensten van deze sekswerkers gebruik maken lopen een grotere kans de ziekte te krijgen. Mensen die vaak bloedtransfusies of bloedproducten nodig hebben lopen ook meer risico, omdat mogelijk niet alle bloeddonoren zijn gescreend op hiv. Andere risicogroepen zijn mensen die drugs gebruiken via injecties (vooral als zij daarbij naalden delen), homoseksuelen en mensen die onveilige seks hebben, bijvoorbeeld doordat zij meerdere sekspartners hebben.
Veel mensen met hiv hebben gedurende 10 jaar, de periode dat zich aids ontwikkelt, geen tot weinig verschijnselen. Als er al sprake is van verschijnselen, dan zijn die vaak niet heel specifiek. De incubatietijd (de periode tussen de infectie en het ontstaan van de eerste verschijnselen) kan uiteenlopen van enkele maanden tot meer dan zes maanden. Gedurende deze periode is het virus echter wel actief en deelt het zich, infecteert het het lichaam en vernietigt het de cellen van het immuunsysteem, waardoor de afweer verzwakt. Er wordt geschat dat bij ongeveer 50 procent van de hiv-geïnfecteerden binnen tien jaar aids ontstaat, waarbij dan ook de verschijnselen optreden. Sommigen krijgen al na een aantal maanden verschijnselen. De meest voorkomende verschijnselen zijn onverklaarbaar gewichtsverlies, blijvend opgezette lymfeknopen, nachtelijk zweten, koorts, rillingen, vermoeidheid, hoesten en kortademigheid, verwardheid en vergeetachtigheid, ernstige en blijvende diarree, problemen met zien, misselijkheid, buikkramp en overgeven.
Een vroege infectie met hiv heeft geen verschijnselen waarmee de aandoening kan worden vastgesteld. Daarom wordt bloedonderzoek gedaan om de aanwezigheid van antilichamen tegen hiv vast te stellen. Aids is een ziekte die als stigma wordt gezien en die bovendien veel angst oproept. Daarom moet voorafgaand aan de test goede voorlichting worden gegeven aan de patiënt en mag de diagnose pas worden medegedeeld als die met zekerheid is bevestigd. De diagnose kan worden gesteld wanneer in het bloed de eiwitten voorkomen van de antilichamen die de hiv-infectie bestrijden. Iemand ontwikkelt meestal binnen drie maanden antilichamen tegen het virus, maar soms duurt dit wel twaalf maanden. Daarom moet er regelmatig worden getest om uit te sluiten dat iemand toch seropositief is. De gebruikelijkste test om antilichamen vast te stellen is ELISA (enzyme linked immunosorbent assay). Om vast te kunnen stellen of iemand seropositief (hiv-positief) is, zijn drie ELISA-tests. Er kan ook een PCR- of westernblottest worden gedaan om hiv vast te stellen. Als uit een van de tests blijkt dat het antilichaam tegen hiv voorkomt, is de diagnose hiv bevestigd.
Mensen met hiv/aids worden behandeld met een combinatie van antivirale geneesmiddelen. Deze behandeling geneest hiv of aids niet, maar helpt wel om de infectie te beperken. De behandeling heeft soms ook bijwerkingen. Momenteel is hiv niet te genezen en er is geen vaccin tegen. Er is wel onderzoek gaande naar het ontwikkelen van een vaccin tegen hiv.
De meest voorkomende verschijnselen op het gebied van voeding bij een infectie met hiv zijn gewichtsverlies en ondervoeding. Er zijn meerdere factoren aan te wijzen voor ondervoeding: verminderde voedselconsumptie, slechte opname van voedingsstoffen en veranderingen in de spijsvertering. Bij alle patiënten met hiv moet het voedingspatroon worden gecontroleerd en het dieet eventueel worden aangepast. Aangezien patiënten met hiv gevoeliger zijn voor infecties die via voedsel en water worden overgedragen, moet naast een goed uitgebalanceerd dieet aandacht worden besteed aan de veiligheid van voedsel en water. De behoefte aan calorieën en eiwitten van mensen met hiv varieert al naar gelang hun gezondheidstoestand op het moment van de infectie met hiv en het stadium van de ziekte. Een diëtist kan helpen bij het opstellen van een individueel voedingsschema dat voldoende energie, eiwitten, vitamines en mineralen bevat en kan verdere praktische tips geven.
Momenteel is er nog geen vaccin tegen hiv. De enige manier om een hiv-infectie tegen te gaan is het vermijden van risicovol gedrag.
Het risico van de overdracht van hiv kan worden verkleind door veilige seksuele praktijken, zoals het vermijden van meerdere sekspartners. Als het vermijden van meerdere sekspartners niet mogelijk is, moet door mannen bij ieder seksueel contact een condoom van latex worden gebruikt. Mannencondooms van latex of vrouwencondooms van polyurethaan geven zowel bij orale, anale of vaginale seks bescherming tegen de overdracht van het hiv-virus, evenals tegen de overdracht van andere soa’s (seksueel overdraagbare aandoeningen). Het is ook belangrijk om geen naalden en spuiten te delen met mensen die besmet zijn met hiv en om naalden en spuiten op een veilige manier af te voeren als afval. Het is belangrijk om bloeddonoren te screenen op hiv voor hun bloed voor transfusie wordt vrijgegeven.
Het risico van de overdracht van hiv van een zwangere vrouw op haar ongeboren kind kan sterk worden verminderd als een vrouw tijdens de zwangerschap en ten tijde van de bevalling een antiviraal middel inneemt en als de baby dit middel krijgt toegediend gedurende de eerste zes weken na de geboorte. Omdat het virus ook kan worden doorgegeven via borstvoeding kan een hiv-geïnfecteerde vrouw haar kind beter niet de borst geven.
Mensen met aids lopen ook grotere kans om kanker te krijgen, zoals kaposisarcoom, kwaadaardige lymfomen en baarmoederhalskanker. Andere complicaties zijn infecties met candidiasis of tuberculose.
Informatie over AIDS
www.soaaids.nl
www.rivm.nl
www.huidziekten.nl
www.hivnet.org